‘Dekka. Wakker worden.’
Haar ogen gingen open. Ze keken knipperend op naar Sam. Het was klaarlichte dag. Niet eens meer vroege ochtend, maar later. Ze had heel lang geslapen.
Een scherpe inademing. Ze sprong overeind en begon haar lichaam te bekloppen, prikkend, duwend, op zoek naar alles wat er niet hoorde te zitten.
Het gat in haar schouder brandde als een gek.
Haar maag rammelde. Haar voeten deden pijn. Haar geschaafde scheenbenen schrijnden. Haar rug deed zeer van het slapen op een rotsblok.
‘Ik heb overal pijn,’ zei Dekka.
Sam keek bezorgd.
‘Ik bedoel, dat is goed. Hunter voelde haast niets, toch?’
Sam knikte. ‘Ja. Ja, dat is goed. Dus dan was het uiteindelijk ook goed om een gat in je schouder te branden, toch?’
‘Ik ben er nog niet aan toe om dat grappig te vinden, Sam. Waar is Jack?’
Sam wees naar de top van een heuvel. Ze bevonden zich in een heel droog en verlaten gebied. De heuvel was nog geen zestig meter hoog en meer een hoop aarde dan een berg.
Jack stond erbovenop en keek met zijn hand boven zijn ogen naar het noordoosten.
‘Wat zie je?’ riep Sam tegen hem.
‘Er is daar iets wat eruitziet alsof het helemaal is afgebrand.’
Sam knikte. ‘Ja. Het kluizenaarshutje. En wat nog meer?’
‘Een stel nogal ruig uitziende heuvels, vol rotsen en zo,’ riep Jack. Hij wilde naar beneden klauteren, maar de grond was los, dus hij gleed en schoof en viel. Toen stond hij weer op en sprong.
Hij sprong tien meter naar beneden en kwam vlak voor Sam weer neer.
‘Gast,’ zei Sam.
‘Goh,’ zei Jack. ‘Nooit geweten dat ik dat kon.’
‘Misschien kun je die kracht van jou op nog wel meer manieren gebruiken,’ zei Sam.
‘Ik wou dat ik hem kon gebruiken om water te vinden.’
‘Dekka, wat denk jij? Over die bergen of door het verbrande stuk?’
‘Ik heb nogal een hekel aan klimmen.’
‘Dat hutje is best dicht bij de mijnschacht,’ merkte Sam op.
‘Ja. Ik weet nog waar de mijn is,’ zei Dekka. ‘Daar moeten we dus gewoon niet naartoe.’
Het was niet ver naar het hutje. Of beter gezegd, de paar verkoolde planken die nog over waren van het hutje van Kluizenaar Jim. Sam haalde de kaart weer tevoorschijn. Hij mat de afstand met zijn vingers. ‘Het lijkt nog een kilometer of tien naar het meer. Ik neem aan dat we allemaal wat kunnen drinken als we daar zijn.’
Ze hadden de Santa Katrina-heuvels nu aan hun linkerhand. Die waren een en al kale rots en aarde, en sommige rotsformaties zagen eruit alsof ze zo uit de grond waren geduwd, alsof de aarde er nog af gleed. Meer naar rechts was de hogere berg, en de kloof in die berg die de spookstad en de mijnschacht verborgen hield.
Niemand zei iets over die plek.
Na een dorstige wandeling van een uur door een ontzettend dor landschap kwamen ze bij een hoog hek van harmonicagaas. De grond zag er aan beide kanten van het hek precies hetzelfde uit. Voor zover zij konden zien was er niets om een hek omheen te zetten.
Er hing een stoffig, roestig bord.
‘“Verboden toegang voor onbevoegden,”’ las Jack hardop.
‘Tja,’ zei Sam. ‘Straks worden we nog gefouilleerd.’
‘Zou het niet te gek zijn als iemand ons kwam arresteren?’ zei Dekka verlangend.
‘Jack. Haal dat hek neer.’
‘Echt?’
‘De muur is die kant op.’ Sam wees. ‘We moeten naar de muur en die volgen naar het meer. En zoals Dekka al zei: het zou te gek zijn als hier iemand was om ons te arresteren. Dan zijn ze verplicht om ons iets te eten en te drinken te geven.’
Sam wist niet precies wat hij op de luchtmachtbasis Evanston verwacht had aan te treffen. Hij wist niet precies waar hij op had gehoopt. Barakken vol soldaten misschien. Dat zou fantastisch geweest zijn. Maar zo niet, dan misschien een gigantische tank vol water. Dat was ook fijn geweest.
Maar in plaats daarvan troffen ze een rij ondergrondse bunkers aan. Ze waren vanbuiten allemaal hetzelfde: schuin aflopende betonnen platen die naar een stalen deur leidden. Jack trapte de eerste open.
Sam zorgde voor de verlichting. Binnen was een lange, lage ruimte. Helemaal leeg.
‘Waarschijnlijk sloegen ze hier bommen op of zo.’
‘Nu ligt er in elk geval niks,’ zei Jack.
Ze maakten nog vier bunkers open voor ze zich erbij neerlegden dat er niets te vinden was.
Toen ze door het bunkerveld dwaalden kwamen ze een vrachtwagen tegen met de sleutels nog in het contact. De accu was leeg. Maar er lag een literfles bronwater in de cabine, nog halfvol.
Ze rustten uit in de schaduw van de vrachtauto en deelden het water.
‘Nou, dat was een teleurstelling,’ gaf Sam toe.
‘Wat had je dan willen vinden, bommen?’ vroeg Dekka.
‘Een enorme voorraad van die maaltijden die soldaten eten, hoe heten ze ook alweer?’
‘mre’s,’ zei Jack. ‘Meals Ready to Eat.’
‘Ja. Een paar van die dingen. Zeg maar een miljoen of zo.’
‘Het was al mooi geweest als de vrachtwagen het nog had gedaan, dan hadden we met de auto kunnen gaan in plaats van te lopen,’ mopperde Dekka.
Ze gingen weer op pad. De halve liter water leek alweer heel lang geleden. Langzaam kregen ze de blinde muur in het oog die voor hen opdoemde. Hij rees recht omhoog uit het zand en struikgewas.
‘Goed, nu buigen we af naar links. We gaan dat meer zoeken en dan gaan we terug naar de stad,’ zei Sam.
Ze hielden de muur aan hun rechterhand. Het terrein werd moeilijker begaanbaar, met diepe greppels die de gladde woestijngrond als droge rivierbeddingen doorkliefden.
Voor hen, flikkerend als een luchtspiegeling, stond een laag gebouw dat Sam deed denken aan de noodgebouwen waar scholen soms hun toevlucht toe namen. Het had een paar ramen met daarvoor de horizontale latjes van stokoude jaloezieën. Op meerdere plekken staken airconditioningkastjes uit de muren.
Op een parkeerplaats stonden nog meer zandkleurig gecamoufleerde vrachtauto’s. Een paar personenwagens. Allemaal netjes opgesteld tussen de witte strepen.
Een lange antenne prikte naar de lucht. En achter het gebouw lag een slordige hoop enorme roestbruine, donkergele en lichtgrijze blokken.
‘Hé, dat is een trein!’ zei Jack.
Sam keek op de kaart. Hij besefte nu pas dat de dubbel gearceerde streep een spoorlijn aangaf – hij had nooit geweten waar de streep voor stond.
Sam wou dat hij eraan gedacht had om een verrekijker mee te nemen. Er was iets raars aan het gebouw. Het lag te geïsoleerd. Maar goed, het zou kunnen dat er nog een heel stel van dit soort gebouwen net achter de fakz-muur lag, zei Sam tegen zichzelf. Misschien lag dit gebouw wel net aan de rand van een groot complex.
Maar zo voelde het niet. Het voelde alsof deze plek expres heel ver weg van alles was. Hij betwijfelde of het gebouw zelfs wel te zien was op een satellietfoto. Op de paar auto’s na was alles in dezelfde zandgele kleur geverfd als de omringende leegte.
‘Laten we eerst even in het gebouw kijken.’
De deur zat niet op slot en Sam duwde hem behoedzaam open. Zand en stof waren neergedaald op de glanzende linoleumvloer. Een grote ruimte, twee gangen die daarvandaan liepen en twee aparte kantoren achter een glazen wand. In de grote ruimte stonden een stuk of zes grijs geverfde metalen bureaus en ouderwetse bureaustoelen op wieltjes, sommige met totaal niet bijpassende bekleding. De computers op de bureaus hadden zwarte schermen. De lichten waren uit. De airconditioning was duidelijk ook uit: het was er bloedheet.
Sam keek even naar de ingelijste foto’s op een bureau: iemands gezin, twee kinderen, een echtgenote en een moeder of oma. Op een ander bureau zag hij een stressballetje liggen. Er stonden officieel uitziende mappen en bakken vol stokoude floppy’s.
Alles was stoffig. Bloemen in een klein vaasje waren slechts nog stokjes. Papieren waren van bureaus naar de vloer gedwarreld.
Het was griezelig. Maar ze hadden allemaal al heel veel griezeligs gezien: verlaten auto’s, lege huizen, lege winkels.
Eén ding dat ze al heel lang niet meer hadden gezien: op een van de bureaus stond een geopende pot Nutella met een lepel erin, het deksel nergens te bekennen.
Ze sprongen er alle drie tegelijk op af.
‘Er zit nog wat in!’ riep Jack, zo blij dat je zou denken dat ze iets veel belangrijkers hadden ontdekt.
Sam en Dekka grijnsden. Het was een grote pot, en hij zat nog minstens halfvol.
Jack tilde de lepel op. De Nutella droop loom naar beneden.
Jack deed zijn ogen dicht en stak de lepel in zijn mond. Zonder iets te zeggen gaf hij hem daarna door aan Dekka.
Het leek wel een religieus ritueel, als de communie. Ze namen om de beurt een lepel, zwijgend, allemaal met stomheid geslagen door de heerlijkheid van de intense smaak van zoetigheid na zo veel vis en kool.
‘Hoe lang is het wel niet geleden?’ vroeg Dekka. ‘Het is zoet.’
‘Zoet en romig en chocoladeachtig,’ zei Jack dromerig.
‘Hoe kan het dat het nog steeds romig is?’ vroeg Sam.
Jack had de lepel vast. Hij verstijfde. ‘Hoe kan het dat het nog steeds romig is?’ herhaalde hij.
‘Die pot moet maanden geleden opengemaakt zijn, voor de fakz kwam,’ zei Sam. ‘Het zou helemaal opgedroogd moeten zijn. Helemaal hard en taai.’
‘Dan zou ik het nog steeds eten,’ zei Dekka opstandig.
‘Deze pot is niet maanden geleden opengemaakt. Hij is nog niet eens een paar dagen open,’ zei Sam. Hij zette de pot neer. ‘Er is hier iemand.’
Jack was een paar van de papieren aan het lezen die her en der verspreid lagen. ‘Dit is een onderzoeksstation geweest.’
Dekka keek gespannen om zich heen, bang voor indringers, vijanden. ‘Onderzoek naar wat? Wapens? Buitenaardse wezens?’
‘“Project Cassandra,”’ las Jack voor. ‘Dat is de kop boven de meeste memo’s en zo. Ik wou dat ik in die computers kon komen.’
‘Er is hier iemand,’ zei Sam, om bij de belangrijkste ontdekking te blijven. ‘Iemand die een pot Nutella kan opendraaien en het met een lepel kan eten. Dus geen coyote. Er is hier een mens.’
‘Iemand uit Perdido Beach?’ vroeg Dekka zich af. ‘Misschien is er ooit iemand de stad uit gegaan die toen deze plek heeft gevonden en nooit meer terug is gekomen. Het kan best zijn dat er eens iemand is weggegaan zonder dat het ons is opgevallen.’
‘Of iemand van Coates.’ Sam maakte een handgebaar om stilzwijgend aan te geven dat hij de gang links in ging en dat Jack en Dekka klaar moesten staan om hem rugdekking te geven.
Het was geen lange gang: slechts vier deuren aan elke kant. Door een ruit van gewapend glas in een deur aan het eind van de gang kwam een zachte gloed.
Sam deed de deuren open, één tegelijk. Achter de eerste twee bevonden zich lege kantoren. Achter de volgende zat een groezelige kamer met een metalen tafel en twee stoelen tegenover elkaar. Aan de muur hing een scherm. Op de grond lag een klembord.
Sam raapte het op. ‘“Project Cassandra,”’ las hij hardop. ‘“Proefpersoon 1-01. Testnummer GV-788.”’
Hij legde het klembord op tafel en ging door naar de volgende kamer.
Hij deed de deur open en wist meteen dat er iemand binnen was, zelfs nog voor hij iemand zag.
Deze kamer had een raam van gewoon glas waardoor het zonlicht naar binnen stroomde. Er stonden een bed en een bureau en aan de muur hing een grote televisie. Onder het scherm lagen stoffige spelcomputers.
Op een bijzettafeltje lagen grote stapels boeken.
En één boek werd vastgehouden door een jongen die in een ligstoel zat met zijn voeten op het bureau. Hij was een jaar of twaalf. Zijn zwarte haar hing op zijn rug en kwam bijna tot zijn middel. Hij zou waarschijnlijk lang zijn als hij opstond. Mager. Hij droeg een spijkerbroek, gympen en een zwart-wit t-shirt van de Hollywood Undead.
‘Hoi,’ zei Sam fronsend.
De jongen reageerde nauwelijks.
‘Ken ik jou niet ergens van?’ drong Sam aan.
De jongen keek hem met samengeknepen ogen aan. Hij glimlachte een beetje. Hij leek zich weer op zijn boek te willen richten.
‘Gast,’ zei Sam. ‘Jij bent toch Toto?’
De wenkbrauwen van de jongen gingen omhoog. Zijn lip trilde. Hij vroeg: ‘Is hij echt?’
Hij praatte tegen een levensgroot Spider-Man-hoofd van piepschuim, inclusief blauw met rode kap, dat op een plank stond.
‘Ik ben echt,’ zei Sam. Toen riep hij: ‘Dekka! Jack!’
‘Waarom schreeuwt hij?’ vroeg Toto aan Spidey. ‘Hij zou een Decepticon kunnen zijn.’
‘Ik ben geen Decepticon,’ zei Sam, en hij voelde zich een beetje belachelijk.
‘Hij spreekt de waarheid,’ zei Toto tegen Spidey. ‘Hij is geen Decepticon. Maar misschien werkt hij wel voor de Dementors, voor Sauron, voor de duivel.’
‘Waar heb je het over, Toto?’ vroeg Sam.
Jack en Dekka kwamen naar binnen gerend. ‘Wow,’ zei Dekka.
‘Hij weet best waar ik het over heb,’ zei Toto tegen Spider-Man. ‘Hij raadt maar wat, hij probeert me uit. “Waar heb je het over, Toto?” vraagt hij. Tuurlijk. Hij weet het best. Hij kent de duivel.’
‘Ik werk voor niemand,’ zei Sam.
‘Jokkebrok. Iemand heeft je gestuurd.’
‘Ja, Albert, maar…’
‘Ze proberen altijd te liegen, maar het werkt nooit, hè?’ zei Toto.
Sam draaide zich om naar Dekka. ‘Volgens mij is deze jongeman heel lang alleen geweest.’
‘Hij bedoelt dat ik gek ben.’ Toto praatte rechtstreeks tegen Dekka, niet tegen Spider-Man, hoewel hij even achteromkeek naar Spideys hoofd en niet goed leek te kunnen kiezen tussen Dekka en de webslingeraar. ‘De waarheidszegger, waarheidszegger Toto.’
‘Ben jij proefpersoon één nul één?’ vroeg Jack.
Toto leek hem niet te horen, maar in zijn ogen welden tranen op. ‘Eén nul één. Ja. Eén nul twee, wil je weten wat er met haar is gebeurd?’
‘Ja,’ antwoordde Sam.
‘Zullen we het zeggen, Spidey?’ Toto liet zijn tanden zien en gromde. ‘Ze woonde aan de andere kant van de gang. Darla. Ze was acht. Ze had alleen maar Hello Kitty-spullen. Ze kon door muren lopen. Ze wilde niet blijven, ze wilde naar huis, dus ze probeerde gewoon door de muur naar buiten te lopen en de bewakers gaven haar een stroomstoot terwijl ze erdoorheen ging en weet je wat er toen gebeurde?’
‘Zeg het maar.’
‘Hij wil het niet weten, niet echt, hè?’ vroeg Toto aan Spidey. ‘Hij heeft te veel nare dingen gezien, hè? Maar ik ga het toch zeggen, namelijk dat die stroomstoot haar halverwege de muur liet verstijven. Ze ging dood. Ze moesten de hele muur slopen om haar eruit te krijgen.’
‘De kat van Albert,’ zei Jack.
Sam knikte. Ze hadden allemaal het verhaal gehoord over de teleporterende kat die een inschattingsfout had gemaakt en doodging met een boek door haar lijf.
‘Ze zijn niet verbaasd,’ zei Toto. Hij hield zijn hoofd schuin en schudde het heen en weer, enorm geamuseerd door een of ander binnenpretje. ‘Ze weten het, hè?’ vroeg hij aan Spidey.
‘Ja, we weten het,’ zei Sam. Hij stak zijn hand omhoog en vuurde een felgroene lichtstraal af op het hoofd van Spider-Man. De stof van de kap vatte vlam en het piepschuim dat erin zat smolt.
Toto’s bleke gezicht werd nog bleker. Hij slikte moeizaam en keek Sam voor het eerst recht aan.
‘Sorry, gast,’ zei Sam. ‘Maar meer gekte kunnen we echt niet aan. En we hebben niet de hele dag de tijd.’
‘Ja, hij spreekt de waarheid, hij heeft haast.’
‘Hij heeft het nog steeds tegen Spider-Man,’ merkte Dekka op. ‘Hij is gestoord.’
‘Tja, nou, we zijn allemaal een beetje gestoord, Dekka,’ zei Sam.
‘Nee, hij is niet gestoord, de Sam-jongen niet,’ zei Toto hoofdschuddend. Toen voegde hij er sluw aan toe: ‘Hij vindt in elk geval van niet.’
‘We zijn op zoek naar een groot meer. Lake Tramonto. Weet jij hoe we daar moeten komen?’
‘Wij weten niet hoe we waar dan ook moeten komen,’ zei Toto. Plotseling zag hij eruit alsof hij elk moment in huilen kon uitbarsten. ‘Waar is Spidey?’
‘Hoe lang zit je hier al?’ vroeg Sam ongeduldig.
Jack gaf antwoord. ‘Ruim een jaar. De begindatum voor proefpersoon één nul één was een paar maanden voor de komst van de fakz.’
Sam dacht een paar seconden na. Vroeg zich af wat hij moest doen. Hij kon toch niet zomaar weglopen en de jongen laten stikken? Toch? Vooral niet nu hij in zijn ongeduld Spidey had verbrand.
Aan de andere kant zat hij absoluut niet te wachten op nog iemand om in de gaten te houden. En hij had zo’n vermoeden dat deze jongen hier nog wel een tijdje zou zitten. Sam kon hem altijd later nog oppikken. En als ze het meer zouden vinden, zou de hele stad waarschijnlijk verhuizen, dus dan zouden ze hier sowieso weer langskomen.
‘Hoor eens, Toto, ik ga nu net doen alsof je niet volslagen geschift bent. Ik laat het aan jou over. Dus je kunt met ons meegaan en in elk geval een beetje normaal doen, of je blijft hier. Jij mag kiezen.’
Toto bleef over zijn schouder naar de bruin met zwarte brij kijken die net nog het piepschuimhoofd was geweest. Maar tussendoor keek hij naar Sam en Dekka en zelfs naar Jack.
‘Wat hebben jullie te eten?’ vroeg Toto.
‘Gedroogde vis. Kool. Artisjokken.’
Tot Sams verbazing likte Toto letterlijk zijn lippen af. ‘Jullie hebben ook andere dingen, maar die willen jullie niet delen. Dat geeft niet. Ik heb sinds die tijd alleen maar Nutella gehad. Niets anders.’
‘Jij moet wel heel veel Nutella hebben,’ zei Dekka, niet in staat haar gulzige hoop te verbergen.
‘Ja.’
‘Laat zien,’ zei Sam. ‘Laat zien wat je hier hebt. En daarna gaan we het meer zoeken.’
Sam ging voorop naar buiten, en Jack en Dekka voegden zich naast hem. ‘Ze wisten het, hè?’ vroeg Sam aan Jack.
Jack had nog steeds een handvol papieren vast die hij van een bureau had meegegrist.
‘Ja,’ zei Jack, die tijdens het lopen nog altijd gefascineerd de uitgeprinte gegevens doornam. ‘Ik geloof niet dat ze wisten wat het was, of waar het door veroorzaakt werd. Maar ze wisten het wel.’
‘Wat wisten ze?’ vroeg Dekka.
‘Degenen die hier de leiding hadden, wie dat ook geweest mogen zijn,’ zei Sam boos, ‘wisten dat er iets aan de hand was met de kinderen van Perdido Beach.’
Jack haalde hem in, pakte hem bij zijn schouder en gaf hem een vel papier aan. ‘Een namenlijst.’
Sams ogen gleden meteen naar zijn eigen naam, de derde in een rij van vijf. ‘Toto, Darla, ik, Caine en Taylor.’ Hij gaf het vel met een woest gebaar terug aan Jack. ‘Niet alle freaks, maar wel een paar van ons.’
Hij wist niet wat hij moest zeggen of denken. Hij werd er boos van, maar hij wist niet eens waarom. Natuurlijk hadden ze meer willen weten over kinderen die opeens bovennatuurlijke gaven ontwikkelden.
En natuurlijk hadden ze dat geheim willen houden.
Maar toch kreeg hij er een boos en ongemakkelijk gevoel van. ‘Dit betekent dat ze het weten. De mensen buiten moeten een vermoeden hebben van wat er ongeveer gebeurd is.’
‘De echte gegevens staan op die computers,’ zei Jack. ‘Dat ene vel is maar een klein bestand. Als we weer stroom zouden hebben…’
Sam keek woedend naar de muur verderop. En vroeg zich niet voor het eerst af welke ontvangst hun te wachten stond als die muur ooit zou wegvallen.